Eerlijk gezegd keek ik er niet naar uit. Ondanks vele enthousiaste reacties over online behandelen blijft voor mij een beeldscherm een scherm en de individuen daarop ‘straws upon the surface of the deep’ (Dickens). Maar het was niet anders, het bood in ieder geval de mogelijkheid het contact met cliënten en team te continueren en tenminste enige holding te bieden, dus ook ik stelde me open voor wat online ervaringen zouden brengen.

Het beeldbellen met Teams gaf enige technische complicatie: zo kan ik met mijn thuiscomputer alleen als ik uitlog uit de werkomgeving  en via internet weer inlog,  een goed, helder beeld en geluid krijgen.

Ook het thuis beeldbellen met Karify lukte maar niet. Het leidde tot tal van welwillende adviezen, die evenwel geen soelaas boden. En laptops vanuit de organisatie waren al lang niet meer voorhanden.

Ik miste Zoom, een programma waarmee ik zowel vertrouwd was als goede ervaringen had, maar Zoom was volgens de organisatie niet veilig genoeg, dus ging het er nu om, zoals zo vaak in het leven, het beste te maken van wat wél voorhanden was.

De eerste teamvergadering met Teams sprongen de hoofden van mijn collega’s als discoballen in rap tempo in- en uit beeld, omdat er niet meer dan vier personen tegelijk in beeld konden zijn. Ik merkte dat ik moeite had me goed te concentreren door deze steeds wisselende samenstelling en had het gevoel, zonder oogcontact, in het luchtledige te praten. Wie keek er naar wie? Door het snelle verspringen van het beeld lukte het me ook niet goed werkelijk verbondenheid te voelen.

Het op deze manier geconcentreerd bijwonen van de teamvergadering kostte behoorlijk wat inspanning, een activiteit van vooral mijn linkerhersenhelft. In plaats van de voor elk werkelijk contact zo belangrijke nonverbale signalen, bevonden we ons nu met zijn allen in een louter talig, verbaal universum. 

In de neurowetenschappen is ontdekt dat cognitieve processen en gedrag belichaamd zijn en sensorische- motorische-en affectieve systemen de sturende factoren zijn bij een informatieproces. Helaas wordt door onlinevergadering of behandeling het lichaam opnieuw in de kast gezet en missen we veel belangrijke informatie. In dit geval: hoe komt een collega de ruimte binnen? Hoe zit iemand erbij?

In ieder geval konden we elkaar wel zien en spreken.

De jongeren van de Jongvolwassenengroep hadden we gevraagd of ze wilden deelnemen aan onze online bijeenkomsten en hen uitgelegd wat daar voor nodig was: aanwezig zijn op ons gebruikelijke vaste tijdstip, een computer ter beschikking hebben, kunnen inloggen in Teams en de beschikbaarheid over een rustige ruimte.

Dit waren vervolgens de eerste beelden: een rokende jongere onderuitgezakt in een stoel in een kamer die zo te zien al weken niet was opgeruimd, een ander die buiten in de wei stond niet ver van haar paard, weer een ander zuigend op een grote lolly in de woonkamer, iemand met een breiwerkje in haar handen, een meisje dat we nog nooit zo mooi opgemaakt hadden gezien, een groepslid dat tijdens ons groepsgesprek van haar kamer naar de zonnige tuin verhuisde en een jongere die zo nu en dan bleek te zijn afgehaakt om even iets anders te doen.

Wat zagen zij? Hoe zagen zij elkaar en ons? Hoe beleefden ze zichzelf? Het voor deze gelegenheid erg mooi opgemaakt meisje bleek vooral in haar eigen beeld geïnteresseerd, zij leek ermee gepreoccupeerd, tot zij op een gegeven moment haar eigen beeld niet langer kon verdragen en de video uit deed. Eén klik en je bent uit beeld.

Veel van deze jongeren vallen niet onder de categorie neurotische cliënten, maar hebben ernstiger problematiek, waarbij online contact onvoldoende holding lijkt te bieden en de groep als geheel, meer op drift raakt. Wij besloten deze allereerste keer niet direct tal van regels te stellen, om de jongeren in ieder geval in de groep te houden. Wonder boven wonder kwam het gesprek goed op gang, waarbij het vooral ging over haat naar moeders. Hadden zij met dit thema de groep-als-moeder in gedachten, of ons als therapeuten nu wij hen fysiek in de steek lieten? 

In de Vrouwenautonomiegroep, met veel deelnemers van begin vijftig, kostte het even wat moeite in te loggen in Teams. De start voelde wat ongemakkelijk, zowel voor de deelnemers als de therapeuten. Ook hier maakte het gebrek aan oogcontact en nonverbale signalen de groep wat zwevend. Iemand vroeg een andere groepsdeelnemer ‘naar wie kijk jij nu eigenlijk?’, een heel relevante vraag. Zelf miste ik het oogcontact met mijn co-therapeut en de afstemming van interventies. Ik merkte dat ik me bewust steeds weer met mijn lichaam verbond en me ertoe zette steeds naar een andere groepsdeelnemer te kijken. Groepsleden vertelden zich zowel verlaten als over-verantwoordelijk te voelen. Verlaten omdat zij geen echt contact ervaarden en over-verantwoordelijk omdat ieder afzonderlijk het gevoel had ervoor te moeten zorgen dat de groep bleef lopen. Er vielen dan ook geen stiltes.

Ook zij durfden desondanks persoonlijk te zijn in wat zij vertelden. Een vrouw toonde zich geëmotioneerd, zij huilde. Ik voelde me machteloos toekijken vanachter mijn scherm. Waarschijnlijk gold dit ook voor de andere deelnemers.

Om wat meer inzicht te krijgen in de voor- en nadelen van online behandeling, luisterde ik recent naar een interview met Gillian Isaacs Russell, psychoanalytica en auteur. Zij publiceerde in 2015 het boek ‘Screen relations’, waarin zij voor- en nadelen van online behandeling uitvoerig uiteenzet tegen de achtergrond van tal van recent wetenschappelijk onderzoek. Het interview vond ik uitermate boeiend, het deed me ernaar verlangen haar boek te gaan lezen.

Isaacs onderscheidt states of mind van states of being’. Zij beschrijft hoe al onze relaties en states of being zijn ontstaan uit de vroege moeder-kind relatie, waarbij geur- en tactiele perceptuele ervaringen het meest belangrijk en het meest diep in ons verankerd zijn. Denk ook aan de aapjes van Harlow, die de voorkeur gaven aan een ijzeren moeder bekleed met een zachte vacht en slechts af en toe naar de andere ijzeren moeder gingen om te kunnen drinken. 

Isaacs citeert bovendien een onderzoek waarin blinden hun aanwezigheid in een spreekkamer anders beleven dan online, terwijl zij uiteraard niets kunnen zien. Wij nemen volgens Isaacs veel meer waar dan waarvan wij ons bewust zijn.

In een onderzoek naar hersenfuncties bij ratten in een virtuele omgeving blijkt slechts de helft van de neuronen actief te zijn, in vergelijking met wanneer zij zich in een live omgeving bevinden. De vraag is dan natuurlijk of dit bij ons ook het geval is. Welke invloed heeft het frequent online zijn op onze hersenen?

De auteur noemt dat online behandeling zeker een hulpmiddel kan zijn wanneer live behandeling niet mogelijk is. Maar zij wijst nadrukkelijk ook op de beperkingen: er is nog veel experimenteel, veel is nog niet onderzocht, online behandeling lijkt vooral geschikt voor meer neurotische cliënten, het lichaam wordt buiten spel gezet (‘our minds are embodied, not embrained’), het vraagt een goed nadenken over (on)mogelijkheden en consequenties (bijvoorbeeld: wie verlaat als eerste de sessie met een klik van de muis? En hoe wordt dit ervaren?),  er is het primaat van het uitsluitend verbale,  het afwezig zijn van een vrijzwevende aandacht door overmatige concentratie op een beeld, de implicatie van het voortdurende zichzelf in beeld zien voor cliënt én therapeut, etcetera.

En uiteindelijk stelt zij de wat mij betreft meest cruciale vraag: kunnen we ervoor zorgen dat online behandeling óns gaat helpen in plaats van dat wij voortgedreven worden door de eisen die online behandeling stelt? Of versterken wij continu elkaars geloof in een proces dat zichzelf in stand houdt?

Ik kijk er in ieder geval alvast erg naar uit straks samen met een cliënt of groep weer in één ruimte aanwezig zijn.  Mijn liefde voor live.

Monique Leferink op Reinink

Isaacs Russell, G. (2015). Screen Relations. The Limits of Computer-Mediated Psychoanalysis and Psychotherapy. London: Karnac Books.

 

Joomla SEF URLs by Artio